zondag 4 september 2016

Hajo Albert Spandaw • Poëzij



• Een selectie uit Poëzij (1809) van Hajo Albert Spandaw (1777-1855).

• Blond boven bruin • Anakreon • Smart en vreugd • Aan Chloë • Het genot, van den wijn • Schoonheid en deugd • Bij den uitgang van het jaar







• Blond boven bruin

Ruilt nooit uw zachte kleur, bekorelijke Blonden,
Voor harde verw of bruine kuif:
De lof der bleeke roos klinkt toch uit duizend monden,
En zoet is 't blinkend sap der muskadellendruif;
De zachte perzik is het sieraad van de hoven,
Zij wint het van de kers in geur;
De lommerrijke linde, in blonden tooi, praalt boven
Den hagedoren, bruin van kleur.
Natuur hult al, wat schoon, beminlijk wordt gevonden,
Steeds met een zachte en blonde huif. -
Ruilt nooit uw blanke kleur, bekorelijke Blonden,
Voor harde verw of bruine kuif.


•Anakreon
(Naar Gleim)

Anakreon, mijn meester,
Zingt slechts van wijn en liefde;
Hij zalft den baard met zalven,
En zingt van wijn en liefde;
Hij kroont zijn hoofd met rozen,
En zingt van wijn en liefde;
Hij kust in 't groene lover,
En zingt van wijn en liefde;
Is bij den dronk een koning
En zingt van wijn en liefde;
Hij speelt met zijne Goden,
Hij lacht met zijne vrienden,
Verdrijft zich zorg en kommer,
Veracht het rijk gepeupel,
Versmaadt den lof der helden,
En zingt van wijn en liefde;
Zou dan zijn trouwe leerling
Van haat en water zingen?


• Smart en vreugd
(Zangstukje)

    A.
Alles is hier onbestendig:
Heden lust en morgen pijn;
Zoo wij niet met rampen streden,
Dan, o! dan zou de aarde een Eden,
Vol van reine zaligheden,
Vol van Hemelvreugde zijn!

    B.
Ja! 't is alles onbestendig,
Heden lust en morgen pijn;
Maar God mengde, om wijze reden,
Zaligheid met tegenheden:
Zoo wij niet met rampen streden,
Zou op de aard geen vreugde zijn.

Alles is hier onbestendig;
Onbestendig is de mensch;
Droefheid zal hem wijsheid leeren,
Smart doet hem de vreugd waarderen,
Hij zou steeds nog meer begeeren,
Ging hem alles naar zijn' wensch.

Dronk hij steeds den kelk der vreugde,
Ach! de walging volgde ras;
Zouden frissche lenteloovren,
Jeugdig groen zijn oog betoovren,
Filomeel zijn hart verovren,
Als het altijd lente was?

    A.
Ja, ik voel het! - wijze reden
Mengen blijdschap met verdriet;
Moet ik soms met rampen strijden,
'k Mag mij dan ook weer verblijden,
Als ik na geëindigd lijden
Dubble zaligheid geniet.

    A. en B.
Juichen wij dan: God is liefde!
Liefde schonk ons lust en pijn;
Liefde mengde, om wijze reden,
Zaligheid met tegenheden:
Zoo wij niet met rampen streden,
Zou op de aard geen vreugde zijn.


• Aan Chloë

Chloë, schoonste van de vrouwen,
Die ik immer mogt aanschouwen!
Waarom blijft uw hart steeds koel
Bij den gloed van mijn gevoel?
Of moest gij zoo schittrend pralen,
Waarom schiet uw oog dan stralen?
Die gij niet van 't hart ontleent?
Goden! waarom schiept ge een wezen,
Dat steeds wondt - nooit wil genezen,
Schreijen doet - en nimmer weent?

Kan ik niet uw hart verovren,
Wil dan 't mijn niet meer betoovren,
Chloë, spreid uw Godlijk schoon
Niet met zulk een' glans ten toon!
Zoo ge uw zielontvonkende oogen
Met geen' sluijer houdt omtogen,
Maar nog meer mij branden doet;
Zoo gij niet door koude kussen
In mijn borst den gloed wilt blusschen,
Dan verteer ik door dien gloed.


• Het genot, van den wijn

Wie daaglijks drinkt, en in den wijn
Zijn' hoogsten wellust vindt;
Wie niets, wat zalig - heilig is,
Maar slechts den wijn bemint;
Zijn kracht, zijn deugd, zijne eer vermoordt,
De stem van zijn geweten smoort
Door 't zwelgen van den wijn;
Wie eeuwig klinkt,
Wie eeuwig drinkt,
En... drinkende in den afgrond zinkt -
Moet wel verachtlijk zijn!

Maar hij, die in een' vriendenkring,
Waar gulle vriendschap woont,
Zich door een open - vrolijk hart
Der vriendschap waardig toont;
Als broederliefde in 't harte gloeit,
Vertrouwlijkheid de tong ontboeit,
Uit vriendschap neemt den wijn;
Uit vriendschap klinkt,
Uit vriendschap drinkt,
En... in den arm der vriendschap zinkt -
Die mag mijn broeder zijn!


• Schoonheid en deugd

De schoonheid is een bloem, die in de lente prijkt;
Zij sterft door zomerhitte of gure najaars vlagen.
De deugd een winterplant, die voor geen' storm bezwijkt;
Zij zal in de Eeuwigheid nog rijpe vruchten dragen.


• Bij den uitgang van het jaar

Daar bromt de laatste slag! een jaar ligt weêr bedolven
In d' oceaan des tijds. Op de afgelegde baan
Werd menig levensboot verslonden door de golven,
Trof menig, hoe verzeild, in 't einde een wijkplaats aan.
Een zekre wijkplaats? neen! wij worstlen met gevaren,
En dobbren, tot de zee ook onze boot verslindt....
Gelukkig hij, die, hier verzwolgen door de baren,
Op 't meer der Eeuwigheid een veilge haven vindt!


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen